
De schok van de terugkeer (en waarom ‘niks doen’ toch uitputtend is)
Het was maar een halve dag. Van acht tot twaalf. Geen zwaar fysiek werk, geen stapels kasten die verplaatst moesten worden. Gewoon kennismaken, rondkijken, luisteren. En toch voelde die ochtend langer dan een hele week.
Toen de deur thuis achter me dichtviel, kwam de klap. De emoties stroomden over, de vermoeidheid trok als lood door mijn lijf.
Het is de realiteit die binnenkomt. De harde confrontatie met hoe moeizaam de concentratie gaat. De vervreemding als je ziet hoe organisaties op halve kracht draaien, terwijl jij zoveel energie moet opleveren om er alleen al te zijn. Geen vonk van vreugde, geen “ja, dit is wat ik wil”. Alleen de wrange vaststelling dat de maatschappij weer doordraait op geld, gehaast en ieder voor zich.
Op zulke momenten schreeuwt alles in mij om de noodrem in te drukken. Het Huis verkopen. De koffers pakken. Reizen, tekenen, schilderen, schrijven. De hardheid van de wereld achter me laten voor een leven met echte vrijheid, warmte, honden en liefde. Een leven zonder het constante geklaag, gezaag en het ‘moeten’.
Ik begrijp ineens veel beter waarom mensen vluchten in verslavingen—de drang om de realiteit even niet onder ogen te hoeven zien is gigantisch. Maar vluchten is niet de weg; de angst voor de gevolgen is te groot. Ik wil geen verdoofd leven, ik wil een vrij leven. Een warm leven, los van bekrompenheid.
Misschien is deze vermoeidheid niet het bewijs dat ik faal, maar het bewijs dat ik weer voel wat er écht toe doet. En dat de weg terug naar jezelf soms begint met het toelaten van de traan na een ‘eenvoudige’ halve dag.








Geef een reactie, onderteken met je naam is enkel om te weten wie je bent, geen registratie